Selma van de Perre is van Joodse komaf als ze in 1923 wordt geboren.
Als ze zeventien jaar is, breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Haar Joods-zijn speelde voor haar nooit een grote rol, maar nu verandert dat totaal. In 1942 wordt ze opgeroepen voor een werkkamp, maar weet daar onderuit te komen.
Ze sluit zich in Leiden aan bij het verzet onder leiding van Bob Jesse en neemt een schuilnaam aan: Margareta van der Kuit, vervalst documenten en reist door het hele land als koerierster. Diverse keren ontsnapt ze aan de nazi’s, maar wordt door verraad toch opgepakt in juli 1944. Ze komt via kamp Vught in Ravensbrück terecht.
Niet zonder ontroering zijn de pagina’s te lezen wat ze in dit concentratiekamp aan niet voor te stellen onmenselijkheid doormaakt. Haar ouders en zusje Clara komen om in het kamp, maar zij overleeft. Pas na de oorlog durft zij voor het eerst haar echte naam weer te noemen: Selma. Het is een hartverscheurend boek, dat ik in een ruk uitlas. Een boek vol verlies, maar ook vol levenslust.