Edith is een Joods meisje van acht jaar en woont in Gouda. Ze houdt van lezen zwemmen en ze speelt graag buiten met haar vriendjes en vriendinnetjes. Maar als de oorlog uitbreekt wordt alles anders. De Joden krijgen steeds meer beperkingen opgelegd. Als Edith met haar vriendinnetje naar het zwembad gaat, hangt er een bordje: Voor Joden verboden. Edith en haar broer Johan moeten van school af om naar een Joodse school te gaan. Uiteindelijk moet de familie onderduiken. ‘Uit logeren’ wordt het tegenover de kinderen genoemd. Johan verdwijnt eerst en dan wordt Edith door een vreemde man in het donker achter op de fiets naar een onderduikadres gebracht. Ze wordt naar een dominee gebracht in Zwammerdam. Het blijkt een heel aardige vrouw te zijn. Edith mag haar tante Abelia noemen. Ze heeft het heel goed hier. Na een half jaar ziet ze een man langs fietsen. Het is een Goudse politieagent die haar doordringend aankijkt. Een dag later wordt tante gearresteerd en wordt ze met Edith afgevoerd. Ze worden van elkaar gescheiden en Edith komt in een cel terecht.
Een waargebeurd verhaal vanuit het perspectief van Edith geschreven. Als lezer kruip je in de huid van Edith die begrijpelijkerwijs veel dingen die haar overkomen niet begrijpt. Het boek bevat foto’s van Edith, haar familie en enkele andere foto’s. De illustraties zijn aansprekend. Het ‘feest van de lichtjes’ Chanoeka wordt beschreven en van de bijbehorende versnaperingen zijn de recepten beschreven.
Met een ding heeft de auteur zich vergist: Het woord ‘doei’ als groet wordt een keer gebruikt maar dat woord kwam pas begin jaren tachtig in gebruik.